Skip to main content

Na jaren van twijfel staat de energietransitie weer centraal in de economische en financiële wereld.
De ‘ESG-backlash’, de herverkiezing van Donald Trump in de Verenigde Staten en de geopolitieke spanningen hadden de indruk kunnen wekken dat het onderwerp naar de achtergrond was verdwenen. De werkelijkheid is echter genuanceerder: de transitie verdwijnt niet, maar ondergaat een transformatie. Ze wordt nu minder gedreven door de klimaatnoodzaak alleen, maar door drie krachtige drijfveren: energiezelfvoorziening, industriële concurrentiekracht en de opkomst van kunstmatige intelligentie. Ondanks de politieke onrust blijven bedrijven die zich inzetten voor de transitie investeren, innoveren en hun oplossingen implementeren. De markt lijkt dit overigens te beginnen te erkennen.

Adrien Dumas, CIO Mandarine Gestion

De Amerikaanse paradox
In de Verenigde Staten had de komst van Donald Trump als een abrupte rem op de transitie kunnen worden gezien. Zijn pro-fossiele brandstoffenretoriek en zijn uitgesproken wil om bepaalde klimaatbeleidsmaatregelen ter discussie te stellen, leken een stap terug te betekenen. Toch reageerden de markten contra-intuïtief: aandelen die verband houden met de energietransitie zijn sinds zijn terugkeer aan de macht weer gestegen.

Deze paradox kan worden verklaard door een meer pragmatische dan ideologische benadering. Het nieuwe Amerikaanse begrotingsplan schrapt niet alle steun voor de transitie: het richt deze steun opnieuw op technologieën die de Verenigde Staten beheersen of die als strategisch worden beschouwd voor hun industrie. Kernenergie, gasturbines, koolstofafvang, biobrandstoffen en elektriciteitsnetwerken blijven dus aanzienlijke steun genieten.

Omgekeerd krijgen technologieën die te afhankelijk zijn van buitenlandse toeleveringsketens, zoals bepaalde onderdelen van zonne- of windenergie, minder steun. De Amerikaanse transitie verdwijnt dus niet: ze wordt protectionistischer en industriëler.
De trend van reshoring gaat in dezelfde richting. Door fabrieken op eigen bodem te herbouwen, versnellen de Verenigde Staten indirect de energiemodernisering van hun productieapparaat. De nieuwe industriële capaciteiten omvatten meer energie-efficiëntie, elektrificatie en schone technologieën. Reshoring wordt zo een onverwachte hefboom voor de transitie.
AI, nieuwe motor van de vraag naar elektriciteit
De andere grote versneller is kunstmatige intelligentie. De massale uitrol van datacenters leidt tot een spectaculaire stijging van de elektriciteitsbehoefte. Volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA-rapport ‘Energy and AI’, april 2025) zou AI de jaarlijkse groei van de vraag naar elektriciteit tegen 2030 op ongeveer 5 % kunnen brengen, tegenover 1 à 2 % in de afgelopen jaren.
Deze druk zorgt voor een dringende behoefte aan nieuwe productiecapaciteit, maar ook aan efficiëntere netwerken. De oplossingen die het snelst kunnen worden ingezet – zonne-energie, batterijen, brandstofcellen, slimme netwerken – krijgen zo weer een zeer grote markt.

De grote technologische spelers zijn hier direct bij betrokken. Google, Meta en Amazon moeten hun energievoorziening veiligstellen en tegelijkertijd de CO2-voetafdruk van hun infrastructuur onder controle houden. Ze investeren daarom in efficiëntere oplossingen, energiezuinigere chips en geoptimaliseerde datacenters. AI, dat vaak wordt gezien als een risico voor de transitie, wordt ook een krachtige factor voor investeringen in energie-infrastructuur.
Energieonafhankelijkheid wordt weer een prioriteit
De spanningen in het Midden-Oosten versterken deze dynamiek nog verder. Het risico rond de Straat van Hormuz herinnert aan de afhankelijkheid van veel economieën van de wereldwijde energiestromen. Dit besef is bijzonder sterk in Azië, waar Japan en Zuid-Korea hun investeringen in kernenergie en hernieuwbare energie versnellen om hun blootstelling aan de invoer van olie en gas te verminderen.

Ook in Europa is het onderwerp weer actueel. De oorlog in Oekraïne had al de kwetsbaarheid van het continent ten opzichte van zijn afhankelijkheid van Russisch gas aangetoond. Sindsdien is een deel van deze afhankelijkheid verplaatst naar andere leveranciers, met name Qatar of Algerije, zonder dat de fundamentele kwestie is opgelost: Europa blijft onvoldoende soeverein op energiegebied.

De oplossing zou kunnen liggen in een meer pragmatische heropleving van de nationale investeringen. Frankrijk legt bijvoorbeeld opnieuw de nadruk op warmtepompen en de elektrificatie van gebouwen. Ook andere Europese landen streven naar meer autonomie. Het gaat niet langer alleen om het klimaat, maar ook om de industrie, want de kosten en de beschikbaarheid van energie zijn bepalend voor de investeringsbeslissingen van bedrijven.

China in een sterke positie
In dit veranderde landschap behoudt China een aanzienlijke voorsprong. De afgelopen vijftien jaar heeft het land transitietechnologieën centraal gesteld in zijn industriële plannen. Elektrische voertuigen, batterijen, zonnepanelen, slimme netwerken, kritieke materialen: Peking domineert vandaag de dag een groot deel van de mondiale waardeketens.

Dankzij deze voorsprong kan het nu zijn oplossingen exporteren naar opkomende landen, met name in Zuidoost-Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Bedrijven als BYD illustreren deze strategie: nadat ze hun binnenlandse markt hebben veroverd, breiden ze hun productiecapaciteit in het buitenland uit en richten ze zich op nieuwe afzetmarkten.
Voor Chinese bedrijven is export vaak winstgevender dan de binnenlandse markt, die zeer competitief en gereguleerd is. Deze internationalisering zou dus een krachtige motor voor groei kunnen worden.

Een minder ideologische, meer strategische transitie
De energietransitie verandert van aard. Ze wordt niet langer alleen gedreven door regelgeving of ESG-verplichtingen. Ze beantwoordt nu aan concrete behoeften: meer elektriciteit produceren, de bevoorrading veiligstellen, de industrie moderniseren, afhankelijkheden verminderen en concurrerend blijven.

De technologieën bestaan al voor een groot deel van de toepassingen: warmtepompen, elektrische voertuigen, batterijen, slimme netwerken, hernieuwbare energie of kernenergie. De echte uitdaging is dus niet langer uitsluitend technologisch. Ze hangt af van het vermogen van staten en bedrijven om snel, massaal en op een coherente manier te investeren.
In deze context lijkt de “ESG-backlash” minder een betwisting van de transitie dan wel een herschikking van de drijvende krachten erachter. De energietransitie is niet verdwenen: ze wordt economischer, geopolitieker en strategischer.

EFI

Author EFI

More posts by EFI